Schijndel werkt alleen op afspraak om u beter van dienst te zijn

 
Schijndel werkt alleen op afspraak om u beter van dienst te zijn

Kenmerken van het Schijndelse landschap

Schijndel ligt op een dekzandrug, midden tussen de beekdalen van de Aa en Dommel

Afbeelding: natuur van Smaldonk Schijndel ligt op een dekzandrug, midden tussen de beekdalen van de Aa en Dommel. De as van deze dekzandrug heeft een noordwest-zuidoost oriëntatie.. Door de werking van de wind werden in het zuidoostelijk deel van Schijndel stuifduinen gevormd (Vlagheide). De hoger gelegen plaatsen (de donken) zoals Smaldonk, vormden de meest geschikte woonplekken. De natte beemden (richting Aa en Dommel) werden gebruikt voor het vee en het hooi. De hoger gelegen zandgronden buiten het dorp waren voor de schapen. Samen met de heideplaggen leverden de schapenkeutels de mest voor de akkers (het potstalsysteem). De hierdoor 'opgehoogde' akkers zien we nu nog in het landschap terug als bolakkers, o.a. in Venushoek en Borne. De lager gelegen lemige gronden leverden leem voor de plaatselijke steenfabrieken (Leemputten) of werden gebruikt voor griendcultuur en productiebossen (Wijboschbroek). In het landschap en de plaatsaanduidingen vinden we nog talrijke patronen van en verwijzingen naar de ontwikkelingsgeschiedenis (Smaldonk, Liekendonk, Heikampen, Wielse Kamp, Rooise Heide, Oetelaar).

Stuifzand in de Vlagheide

De Vlagheide laat de gevolgen zien van de grootschalige heide-ontginningen eind 19e en begin 20e eeuw. De 60 meter hoge afvalberg is echter het meest in het oogspringende, recent toegevoegde landschapselement. Het loont de moeite het toegangshek tegenover het dennenbosje te openen voor een wandeling naar boven. Bij helder weer wacht u een prachtig panorama. Voor dit gebied zijn plannen ontwikkeld die ruimte geven aan recreatie en natuur.
Aan de rand van de Vlagheide liggen de Eerdse Bergen; resten van een groot natuurgebied van heide en stuifduinen. De naam 'Duin' voor het industriegebied herinnert daar nog aan.

Grove den

Na zandwinning kreeg de wind hier vrij spel op het zand. Met de aanleg van hakhout probeerde men dit tegen te gaan. Het overheersende bostype is naaldbos. Op deze arme zandgronden werd de Grove Den geplant, voornamelijk om te voldoen aan de vraag naar stuthout in de mijnen.
Zandblauwtje, Schapezuring, Buntgras, Stekelbrem, Tormentil, Bochtige Smele, Struikheide, Zandzegge en St. Janskruid kleuren hier de bermen van juni tot augustus.

Afbeelding: VoorpootrechtVoorpootrecht

Sinds 1465 kennen we het voorpootrecht. Inwoners van Schijndel met stukken land aan openbare wegen, hadden het recht en later de plicht om daarop bomen te planten. Het mes sneed aan twee kanten. De aanplant voorzag in een nijpend houtgebrek in de regio en het was voor de eigenaren een extra inkomstenbron. Na het kappen was men verplicht tot herplant. In het Wijboschbroek bestaat dit voorpootrecht nog steeds.

Ecologische verbindingszone

De spoorweg in het buitengebied loopt van Boxtel naar Gennep en de Duitse grens. In 1870 begon de Noord-Brabantse/Duitse Spoorwegmaatschappij met de aanleg. Tot 1937 was er personenvervoer. Nu is er nog tweemaal per dag goederenvervoer tussen Veghel en Boxtel.

Uitwisseling

De spoorlijn was een ecologische verbindingszone die een uitwisseling tussen de populaties van het Wijboschbroek en de Geelders mogelijk maakte. Door de oprukkende bebouwingen heeft deze verbinding voor de natuur aan betekenis ingeboet. Langs het spoor, waar de betreding nog gering is treffen we veel soorten aan van de schrale droge graslanden en heide, zoals het fraaie Zandblauwtje, Zandzegge, Hazepootje, Buntgras en Muurpeper. Maar ook Slangekruid, Grote Teunisbloem, Brem en St. Janskruid komen hier plaatselijk uitbundig voor. De bermen zijn een paradijs voor solitaire bijen en vlinders.

Afbeelding: VerbindingszoneDrieskes

Maar ook drieskes, poelen, erfbeplantingen, kleine bosjes, houtwallen, zijn nodig als stapplaatsen voor dieren om grote afstanden tussen natuurgebieden te kunnen overbruggen. Borne, Elde, Hermalen, Oetelaar, Molenheide laten hier mooie voorbeelden van zien.

Kleinschalig agrarisch cultuurlandschap

De Wielse kamp geeft landschappelijk veel prijs van het verleden. Op kaarten van 100 jaar geleden zijn smalle percelen van 25 meter breed en zo'n 125 meter lang te zien. Het oorspronkelijke blokkavel is door sloten en greppels opgedeeld in smalle percelen, waardoor we spreken van een streepjesverkaveling. Een verkaveling die nodig was voor de waterbeheersing.

Kavelgrenzen

Op de kavelgrenzen kwamen in die tijd de knotwilgen en elzenhagen te staan. Samen met een patroon van zandpaden, kleine bosjes en struwelen vormde hier zich een typisch Meierijs landschap. Veel van dit landschap is helaas verdwenen. In dit gebied ligt nog een van de mooiste voorbeelden hiervan, de Kraaienspot. Een complex van hakhout, houtwallen, kleine bosjes, een heidevegetatie met Dop - en Struikheide, Ronde Zonnedauw en de blauwe Klokjesgentiaan en zandpaden. Sloten met soorten als Gele Lis, Gele Waterkers, Grote Waterweegbree, kleine akkers en weilanden. Talrijk zijn hier de zangvogels en roofvogels. Maar het is ook een gebied van dassen en vossen.

Afbeelding: KnotwilgKnotwilgen

Naast de canada's zijn de knotwilgen het meest karakteristiek voor het buitengebied. Ze doorbreken het vlakke landschap. Schijndel telt duizenden knotwilgen. Ze bieden beschutting tegen felle zon, harde wind en slagregens... Met de wortels verstevigen ze de slootkanten en door de schaduwwerking remmen ze de groei van planten in de sloot.

Verblijfplaats

De knotwilg is een verblijfplaats voor een groot aantal planten - en diersoorten. De rijen vormen een corridor waarlangs diersoorten zich kunnen verspreiden. Talrijke vogels maken gebruik van de knotwilg om te kunnen rusten of de omgeving te overzien.

Broedgelegenheid

De knotwilg is een broedgelegenheid voor soorten als Heggemus, Rietgors, Kneu en Tjiftjaf. Maar ook roofvogels en uilen als Torenvalk, Ransuil, Bosuil en Steenuil maken gretig g
ebruik van de knotwilg. En dan zijn er nog de verschillende muizensoorten, de wezels, bunzingen en vleermuizen.

Regelmatig knotten

De knotwilg kan wel 100 jaar oud worden. Om inscheuren te voorkomen moet om de 4 tot 6 jaar geknot worden.

Vliegdennen in de Rooise heide

Een bewijs van voormalige woeste gronden leveren de vliegdennen. Ze staan soms alleen, dan weer met enkele bij elkaar op de perceelsscheidingen. De dennen kregen door de geboden groeiruimte een fraaie vorm. De Rooise heide is een jonge ontginning. Met het teruglopen van het belang van schapen in de agrarische bedrijfsvoering werd de heide "waardeloos" gebied. Beplanting met grove dennen was het gevolg. In de 20ste eeuw is dit gebied weer omgezet in aanvankelijk een kleinschalig agrarisch landschap. Maar daar is niet veel meer van terug te vinden na de laatste ontginning. Naast dennen zijn berken karakteristieke bomen in dit open landschap.

Weidevogels

Het open gebied is belangrijk voor weidevogels. Met de agrariërs is een weidevogelconvenant gesloten. Een afspraak om de weidevogel een kans te geven nesten te bouwen en hun jongen groot te brengen. Het gaat om soorten als Grutto, Kievit en Scholekster. Maar ook de struweelvogels moeten hier een kans krijgen.

Afbeelding: GriendGriend

Op de lemige, natte gronden werd vroeger veel griendhout gepoot. In 1879 had Schijndel nog 42 bedrijven met 42 werknemers en 14 kinderen1, die hun brood moesten verdienen in de verwerking van het griendhout. De lange wilgentakken steken uit de stobben. In de winter werd het hout gekapt en gesorteerd.

Bundels

De leeftijd bepaalde voor welke doeleinden de takken werden gebruikt. Door ze in bundels bij elkaar te doen en weg te zetten in sloten bleef het hout leven en kon de bewerking uitgesteld worden tot het vroege voorjaar. Dan gingen de takken door het schilijzer, de streup. Het geblekte hout ( 'blekken' betekent schillen) werd daarna met een dissel in tweeën, drieën of vieren gedeeld( 'het kleuven'). Dit was het werk van de reepmaker. De repen werden in bussels gebonden en waren gereed voor gebruik door de kuipers om kuipen en tonnetjes te maken voor de opslag van vis, olie, boter en vlees.

Bonestaken

De wat dikkere stokken deden dienst als bonenstaken of werden bij de dakbedekking van stro toegepast. Wat overbleef uit het griend werd verwerkt tot rijshout. Dit rijshout bundelde men tot zogenaamde "wèijpen", een takkenbos van 4 meter lengte. Men vlocht deze in tot zinkstukken, die verzwaard met stenen werden ingezet bij de bescherming van dijken en zeeweringen. 2s.

Insecten

De griend is een toevluchtsoord voor insecten. Met name in het voorjaar is het een eldorado voor bijen en hommels. Ook salamanders en padden vinden in dit vochtige en schaduwrijke milieu een zomerverblijf.

Afbeelding: HopHop

Al in de 14e eeuw was er in Schijndel sprake van hopteelt. In het wild slingert de hop zich om wilgen, elzen en hakhout en lijkt deze zelfs te wurgen. De hop is gemakkelijk te herkennen. In de late zomer zijn de afhangende groengele hopbellen een opvallende verschijning. Het gaat om de vrouwelijke planten, want de hop is tweehuizig. De mannelijke dragen alleen maar stuifmeel producerende bloemen. De vrouwelijke bloemen groeien uit tot vruchten, de hopbellen. Deze laatste scheiden een stof af, lupuline, die bitter smaakt. In september werden de hopbellen geplukt en zo snel mogelijk gedroogd in de zon of in esthuizen.
Afbeelding: HopSinds de 14de eeuw wordt de hop ter vervanging van gagel gebruikt bij de bierbereiding.
De bijnaam voor de inwoners van Schijndel is Skèndelse Hopbel.